Bijeenkomst gemeenten en waterschappen over Transitie Landelijk Gebied

Dinsdag 11 januari organiseerde de provincie een ambtelijke bijeenkomst voor gemeenten en waterschappen in de Rietschans aan het Paterswoldsemeer. Onderwerp van gesprek was de stand van zaken van het programma transitie van het landelijk gebied en de rol van gemeenten en waterschappen in het proces naar een plan voor een gezonde natuur, een gezonde landbouw en voldoende en schoon water in het buitengebied.

Proces gaat door

Programmamanagers Johan Lingbeek en Anco Hoogerwerf lichtten toe dat het college van gedeputeerde staten onlangs heeft aangegeven door te gaan met het proces, ondanks dat het nog wachten is op duidelijkheid uit Den Haag. Het college wil duidelijk krijgen hoe we in Groningen kunnen omgaan met de opgaven voor natuur, water en klimaat. Wanneer we dit weten, kunnen we ook duidelijker aangeven wat we van het Rijk nodig hebben. En dan gaat het niet alleen over financiële middelen, maar bijvoorbeeld ook om aangepaste regelgeving om nieuwe oplossingen mogelijk te maken. Daarnaast vindt het college het belangrijk dat er voor agrariërs duidelijkheid komt. 

Gemeentegrenzen

Gemeentegrenzen

Rolverdeling

Na het plenaire verhaal ging het gezelschap van zo'n 40 à 50 man in groepen uiteen. Er werd gesproken over de processen in de verschillende gebieden en over de hoe de gemeenteraden en de algemene besturen van de waterschappen goed te betrekken. Daarover is afgesproken dat de provincie, in de vorm van de gebiedsregisseur (coördinator) en de verkenner (procesbegeleider) de gemeenteraden gaan informeren. De eerste afspraken zijn hier al over gemaakt; bijvoorbeeld voor gemeenten het Westerkwartier en Groningen. Voor de andere gemeenten en de waterschappen volgt nog een voorstel. 

Meedenken

Ook is stilgestaan bij de rol van de gemeenten en waterschappen in het vervolg van dit proces. De provincie is bevoegd gezag, maar ziet duidelijk een meerwaarde in de betrokkenheid van gemeenten en waterschappen. Want ten eerste hebben zij er belang bij dat het uiteindelijke plan voor het betreffende deelgebied past binnen het eigen beleid. En ten tweede hebben zij veel kennis van het eigen grondgebied en de inwoners, waardoor de hun inbreng voor het deelgebiedsplan waardevol kan zijn.