Hendrik de Vries

Hendrik de Vries (Groningen 1896 - 1989 Haren) werd in 1929 toegelaten als werkend lid van De Ploeg. Drie jaar daarvoor had hij reeds een poging ondernomen, maar tot een meerderheid van stemmen kwam het toen niet: hij werd geweigerd. Zijn lidmaatschap zou uiteindelijk duren tot 1972. In de tussenliggende jaren toonde hij zich voor de kunstkring zeer nuttig. Behalve dat hij zich liet kennen als een belangrijk pleitbezorger van de kunstenaarsvereniging, gebruikte hij zijn schrijftalent voor diverse Ploeg-catalogi. Ook werd hij eind jaren dertig archivaris van De Ploeg en na de Tweede Wereldoorlog vervulde hij verschillende bestuursfuncties.

De dichter-schilder Hendrik de Vries genoot het respect van de andere leden in eerste instantie voor zijn werk als literator. De erkenning van provinciale zijde kwam hiervoor in 1959, toen hij zijn dichtkunst onderscheiden zag met de Culturele Prijs.

Eind jaren dertig groeide geleidelijk de waardering voor zijn tekeningen en schilderijen. Als beeldend kunstenaar was hij opzettelijk autodidact gebleven. Niet aangetast door een academische vorming bleef zijn innerlijke wereld één van de belangrijkste inspiratiebronnen. Hierin verschilde hij van andere Ploeg-leden. Die refereerden met hun werk immers naar de zichtbare werkelijkheid. Zo vaak als zij bijvoorbeeld het Groninger land verbeeldden, zo weinig kwam Hendrik de Vries tot een portret van het Noorden. De Vries’ fascinatie richtte zich op het scheppen van beelden die voortsproten uit zijn fantasie.

Surrealistisch wordt wel de drang van Hendrik de Vries genoemd om in tekeningen en schilderijen het onderbewustzijn vast te leggen. Gemaakt alsof hij in een droomtoestand verkeerde, gaf hij deze - leunend op zijn intuïtie - weer in afwijkende figuratieve beelden: monsters, vreemdsoortige mens- en diergestalten, en onheilspellende landschappen. Veelal roepen zij een sfeer op van beklemming en dreiging. De meeste tekeningen hebben een driftige ritmische lijnvoering die doet denken aan een kunststroming als action painting. De lijnen, afwisselend dun en dik, zijn mede veroorzaakt door de grote versleten en afgebroken vulpennen waarmee De Vries graag werkte.